100 jaar later… een ode aan mijn oma

22/01/2023

Op 23 januari 1923, vandaag precies 100 jaar geleden, werd een meisje geboren in een dorp langs de Donau. Ze was het vierde kind in het gezin. Het meisje kreeg de naam Eugenia. Haar vrienden noemden haar later Jeni. Ik noemde haar Nana.

Nana was mijn oma. Ik heb heel warme herinneringen aan mijn oma. Niet in de laatste plaats omdat, zoals in zoveel Roemeense gezinnen vroeger, Nana onderdeel maakte uit mijn dagelijks leven. Mijn ouders en ik woonden namelijk samen met haar in mijn eerste levensjaren. Nana was als een tweede moeder voor mij. Ze kamde mijn haren en bracht me naar balletles. Ze breidde voor mij de mooiste truien en naaide jurkjes en rokken. Als ik ziek was maakte ze mijn lievelingseten klaar. Ik zie mezelf nog zitten bij een dampend bordje griesmeelpap. Te ongeduldig, zoals altijd, waardoor ik mijn tong verbrandde. Nana die zei: “stukje ongeduld, kom laten we samen blazen”. En daar zaten we dan aan de keukentafel, samen over een bordje griesmeelpap gebogen, blazend en lachend. Ik vond haar de liefste. We hadden het gezellig zo samen met z’n allen.

Toen mijn ouders en ik apart gingen wonen, was Nana nog steeds in de buurt. Ik ging vaak na school bij haar langs en in het begin kwam zij nog regelmatig bij ons thuis. Ik moet een jaar of 9 of 10 zijn geweest toen ik me bewust werd van het feit dat ik een soort buffer en doorgeefluik was geworden tussen mijn oma en mijn moeder. Mijn oma kon regelmatig mijn moeder, haar dochter, op de kast jagen. Ze deden lelijk tegen elkaar. Ruzies konden leiden tot weken elkaar niet spreken. Ik mocht er niet onder lijden, zei mijn moeder. Maar ik weet nog hoe ongemakkelijk ik me voelde, verdrietig en boos. Als het weer goed was dan konden mijn oma, moeder en ik het heel gezellig hebben. Maar later kwamen er toch weer de woorden en de verwijten. Nana verzuchtte alles en liet mij beloven haar nooit in de steek te laten. Wat ik natuurlijk ook deed.

Eugenia

Mijn oma groeide samen met haar twee grote broers op als de jongste thuis. Haar grote zus heeft ze nooit leren kennen; zij was een jaar eerder aan wiegendood overleden. Ik weet nog toen Nana mij dat vertelde dat ik haar vroeg hoe haar ouders met het verlies omgingen. Ze zei dat ze daar niet echt over spraken, maar dat haar moeder altijd stilstond bij haar geboorte- en sterfdag. Nana zei dat ze altijd het gemis van haar zus gevoeld heeft. En dat het leven in het dorp niet echt leuk was. Waarom, dat heeft ze me nooit met zoveel woorden gezegd.

Thuis had ze het goed, de boerderij van haar ouders deed goede zaken. Mijn oma vertelde dat ze op dansles had gezeten. En dat ze altijd heel goed was met haar handen. Haar moeder had haar alles geleerd: breien, haken, naaien, zelfs kant maken. In haar keuken hing ook altijd een werkje die ze gemaakt had toen ze negen jaar oud was. Zo’n tafereeltje met kippen en koeien en ik weet dat ik als kind me al afvroeg hoe je in godsnaam zoiets moois kan maken, überhaupt. Ik kan zelf nog steeds niet eens een fatsoenlijk een sjaal breiden. En ik baal nog altijd van het feit dat dat doek kwijt is.

Nana was een knap en vooral slim meisje, daarom ging ze naar het lyceum in de nabije grotere stad. Iets wat niet altijd gangbaar was in die tijd. Ze had het erg naar haar zin op school en ze liet me een keer met weemoed een foto zien. Op de achterkant van de foto staat in haar handschrift geschreven: “Eugenia, 14 jaar, verkleed als fee op het eindejaarsfeest op school”. Ze draagt zichtbaar make-up op en in haar handen houdt ze een bos bloemen vast, met witte lelies. Die zouden later de lievelingsbloemen van mijn moeder worden.

Mijn moeder en vader besloten naar Nederland te vluchten en Nana bleef alleen achter. Een moeilijke tijd brak voor ons aan.  Bellen was in die tijd heel duur en dat deden we zelden. Ik schreef met alle liefde brieven aan mijn oma en zij schreef brieven terug. Ik heb ze bijna allemaal bewaard, ze zijn me heel dierbaar. Het waren niet altijd leuke brieven. Een dezer dagen wil ik ze in chronologische volgorde gaan lezen, maar daar moet ik de tijd nog voor vinden. Wat ik me goed kan herinneren is hoe ouder ik werd, hoe meer ik bewust werd van mijn oma’s klaagzang. Mijn moeder nam steeds meer afstand naar haar moeder toe. Ik probeerde dat te compenseren door vaker te schrijven. Door aan te dringen om weer eens te bellen. Een keer kreeg mijn moeder een brief van Nana en dat maakte haar heel overstuur. Ik las het en besloot mijn oma een harde brief terug te schrijven. Wist zij wel hoe moeilijk mijn moeder het had? Kon ze ooit misschien eerst aan haar denken dan aan zichzelf? Ik was al bijna volwassenen en was al opgestaan als redder en problem solver. Mijn oma schreef terug en ik weet nog dat ik haar woorden las en verdrietig werd. Ze was alleen, ze miste ons, ze wist niet hoe ze het anders verwoorden kon. Ik begon te begrijpen dat er meer speelde, maar ik was nog zo jong.

Jarenlang heb ik me afgevraagd waarom, maar mijn oma heeft het leven als boerendochter op het platteland altijd verafschuwd. Ik begreep er niks van. Als kind in de grote stad vond ik idyllische tv-series als Kleine huis op de Prairie en Heidi fantastisch. Ik kon me geen betere jeugd voorstellen dan rennen door het gras en koeien melken. Maar mijn oma was stellig: werken op een boerderij is vies, modderig, het stinkt en je moet al-tijd werken. Ik vroeg haar of ze daarom bijna nooit teruggaat naar haar dorp, haar nog overgebleven familie zien. Ze zocht naar een antwoord. Ze vond het moeilijk. Ze besloot te zeggen: “plattelandsmentaliteit is… erg…”

Na al die jaren in Nederland zag ik Nana voor het eerst in de zomer van 1995 weer. Vlak nadat ik eindexamen had gedaan en me helemaal klaarmaakte om te studeren.  Het weerzien was fantastisch. Ik weet nog heel goed hoe haar omhelzing voelde en hoe liefdevol ze naar me keek. We hadden elkaar zo gemist. Maar na een paar dagen van herinneringen ophalen en samen kroelen, bleek dat zij nog steeds naar me keek als haar kleine meid. Ik daarentegen was bezig mijn vleugels uit te slaan en spullen te verzamelen voor mijn eerste studentenkamer. We botsten. Heel even. We hebben geen ruzie gemaakt. Maar er was ineens een kloof tussen ons voelbaar en ik zag haar naar me kijken op de manier waarop ze naar mijn moeder soms keek. Met verdriet en een onuitgesproken verwijt. Ik vertrok naar de grote stad mijn vrijheid tegemoet en mijn oma ging terug naar Roemenië.

Het levensverhaal van Eugenia is te lang en ingewikkeld om het in een artikel te gieten. Zij heeft dingen gedaan in haar leven waar ik beretrots op ben en tegelijk in en in verdrietig. Zo vertrok zij ook zo snel als ze kon uit haar dorp naar de grote stad, op zoek naar vrijheid. Los van haar familie en het benauwende dorp. Haar beweegredenen waren solide, haar keuzes… lastig. Zo is ze drie keer getrouwd en gescheiden. Voor die tijd iets ongehoords. De eerste keer scheidde ze van haar alcoholische man die haar sloeg. Dat vind ik enorm bad ass en kan het alleen toejuichen. De laatste keer moest ze gedwongen scheiden van mijn opa, die als politieke gevangene tegen het communistisch regime was. Met hem getrouwd blijven betekende niet meer mogen werken en mijn moeder niet kunnen voeden. Mijn oma heeft mijn opa verweten dat hij haar weer in de positie heeft gebracht om gescheiden te zijn. En ze heeft zich vervolgens gestort op mijn moeder, om haar zo beschermd mogelijk op te voeden als alleenstaande moeder. Soms was ze angstig en gestrest, soms heel stoer. Vaak, het eerste. Ze bracht haar werkdagen door als bibliothecaresse zonder echt van boeken te houden. Ze verdiende bij met ingewikkelde kleren maken zoals bruids-en avondjurken.  Maar intussen verweet ze mijn moeder dat ze veel dingen niet kon doen door haar. Ze verslachtofferde zichzelf. Ze werd hypochonder en ging een paar keer per jaar dood; daar werden wij weer doodmoe van. Ze werd de liefste oma. Ze ging altijd de deur uit netjes gekapt en met lippenstift op. Ook om de vuilnis naar buiten te brengen.

Deze foto waar we samen op een bankje zitten in het park is 25 jaar geleden genomen, een paar weken voordat ze overleed. Ik was voor het eerst na jaren op vakantie in Roemenië en ik ben nog steeds zo dankbaar dat ik een paar mooie dagen met haar heb doorgebracht. Nana veerde helemaal op en ze straalde. Ze had nieuwe gympen aan waar ik echt om moest lachen, dat was zo niet haar elegante stijl. Maar ze vertelde dat haar zere voeten bijna geen andere schoenen konden verdragen en dat de gympen een godsgeschenk waren. We lachten samen, ik vertelde honderduit over mijn leven. Ze maakte mijn lievelingseten. Ze liep kwiek en opgetogen met ons door de stad. We gingen samen opzoek naar de begraafplaats van mijn opa. En we zaten op de bank in het park waar ik als kind zo vaak met haar ben geweest.

Vandaag zou ze 100 jaar zijn geworden. Een gedachte die me de laatste tijd niet kon loslaten. Ik draag Nana nog altijd bij me. In mijn genen, maar nog vaker bewust in mijn hart. Ik wil haar verhaal beter leren kennen, omdat ik weet dat haar verhaal op onderbewustzijnsniveau nog invloed heeft op de mijne. Ik weet welke sporen onbesproken en onverwerkte dingen kunnen laten, zoals een verloren zus. Ik weet hoe belemmerende overtuigingen, coping mechanismes en narratieven van generatie op generatie doorgegeven worden. Ik zie nu hoe haar trauma’s doorgewerkt hebben in de relatie met haar dochter, en hoe mijn moeder (onbewust) die weer op mij heeft laten doorwerken.

Ik heb de laatste jaren heel veel gelezen en geleerd over familie en systemen, intergenerationele trauma’s, epigenetica en patronen. Fascinerend en tegelijkertijd zo verhelderend. Iets wat ik in mijn werk steeds meer omarm en toepas. Ik kijk nu met zachtheid naar mijn oma, en al mijn voormoeders, omdat ik weet dat ze hun best hebben gedaan om te overleven en hun wijsheid en kracht hebben doorgegeven aan volgende generaties.

Toen Nana een paar weken na mijn bezoek aan een herseninfarct overleed, heb ik tranen met tuiten gehuild. We hadden elkaar nog zoveel te vertellen. Ik wilde haar nog zoveel vragen.  Ik wilde nog zoveel weten. Helaas. Jarenlang heb ik daarvan gebaald. Nu weet ik dat er nog meer manieren zijn om antwoorden te vinden. Door ruimte te creëren, wonden te helen, cirkels te doorbreken en haar verhaal te vertellen. Dit is een eerste stap.